|
BOERENDOCHTER WORDT GEVIERD BEELDHOUWER
leven en werken van Fré Jeltsema (1879 - 1971)
|
|
 |
|
|
De wegen in Noord-Groningen vormen een geheimzinnig visgraatpatroon.
Hier wordt sinds jaar en dag land gewonnen, veroverd op de Wadden. Een
goede plek voor grote boerderijen. Rembertus Jeltsema was zo'n grote boer,
met twee boerderijen, in het dorp Uithuizen. De familie voerde de naam
Jeltsema nog niet zo lang. Eén van hen had in 1811 die achternaam
gekozen. Anders was het Gabriëls geworden, ook niet zo'n slechte
naam voor een beeldhouwer, dunkt me.
Rembertus en zijn vrouw Anje Westerhuis woonden in 1878 op de "Polderboerderij"
toen zij hun eerste kind kregen. Een dochtertje. De eerste van negen.
Inderdaad, op één na allemaal dochters. Het oudste kindje
werd nog geen twee jaar, de kindersterfte was toen hoog. De tweede dochter,
Frederika Engelina, kortweg Free, kwam op 4 oktober van het volgende jaar
ter wereld, en werd heel oud: 91 jaar.
Sommige mensen worden wel zwaar getroffen door het lot. Een boer heeft
liever een zoon, die hem kan helpen en later het bedrijf kan voortzetten.
Maar van al die dochters kozen er drie ook nog eens een kunstzinnig beroep.
Dat betekent: ook geen boer als schoonzoon. Want van kunst moesten ze
niet veel hebben op het Hogeland, volgens onze autochtone zegslieden.
Het verhaal gaat dat een familielid eens een groot schilderij van H.W.
Mesdag had afgewimpeld met de woorden: "Wat moet ik met een schilderij?"
Free ging tekenen, Titia zingen en Jansje pianospelen, allemaal met succes.
Rembertus en Anje waren dus niet echt simpele boertjes, maar wat je noemt
landbouwers, met een ruime kijk op het leven. Ook in de familie van moeder
Westerhuis, waar de kinderen Jeltsema vaak gingen spelen, bestond een
voor Uithuizen ongebruikelijke kunstzinnige aanleg. De nichtjes Titia
Jeltsema en Engeline Westerhuis brachten het allebei tot concertzangeres.
Zoon Simon, de achtste, wilde gelukkig wel boeren, en die is tot zijn
pensioen op de andere boerderij, de Folckumaheerd, blijven wonen. Maar
helaas kinderloos.
|
|

Uithuizen en zijn polder

Polderboerderij, geboortehuis van Fré Jeltsema

Folckumaheerd, ouderlijk huis van Fré Jeltsema
Foto: sas@hanssasfotografie.nl
|
|
|
tekenleraar-beeldhouwer
In Uithuizen kon je natuurlijk niet leren tekenen. Daarom mocht Free na
de lagere school naar Groningen om daar bij Academie Minerva de vierjarige
opleiding te volgen, van 1892 tot 1896. Van beeldende kunst kan een mens
niet leven. Dus schreef Free zich in bij de Rijks Normaalschool in Amsterdam,
om in twee jaar tekenlerares te worden. Kunstenaars doen dat wel vaker.
Bijvoorbeeld Suze Robertson, die regelmatig in het onderhoud voorzag met
het geven van tekenles. Zelf heb ik ook op school een kunstschilder-tekenleraar
gehad, die een bescheiden pakket didactiek en pedagogiek had meegekregen.
Ik herinner me de bruine aardewerken pot die ik seizoenvullend heb nagetekend.
En de grote carbidbrand in het fonteintje, waar penselen gespoeld dienden
te worden.
Maar Free was ambitieus en zette haar studie voort aan de Rijksakademie
van Beeldende Kunsten in Amsterdam, 1899 tot 1902. Hier leerde zij in
haar eerste jaar de beeldhouwer professor Leenhoff kennen, die kort daarop
naar Parijs was verhuisd. Dat zal een belangrijk contact blijken.
Ferdinand Leenhoff was in zijn jeugd, met het ouderlijk gezin, zonder
zijn vader, van Zaltbommel al eens naar Parijs verhuisd. Zijn zuster Suzanne
trad daar met de schilder Edouard Manet in het huwelijk. Hijzelf poseerde
als jonge man voor Manet's geruchtmakende schilderij Le déjeuner
sur l'herbe. Leenhoff heeft een groot aantal standbeelden gemaakt onder
andere dat van de grote Thorbecke. Geen wonder dat Free door Leenhoff
gefascineerd werd.
In sommige geschriften staat dat Jeltsema in het jaar 1901 onder Pier
Pander in Rome heeft gewerkt. Pander, die verder nooit leerlingen had.
Merkwaardig is dat het Free gelukt zou zijn om die status bij de toen
beroemde Pier Pander te bereiken, terwijl ze in 1904 terughoudend lijkt
om met hem in contact te treden.
In 1902 dingt Free mee naar de Prix de Rome voor de beeldhouwkunst, en
wint de eerste prijs met haar klei-ontwerp De Smart, het opgegeven thema.
|
|

|
|
|
Prix de Rome
De Prix de Rome was destijds
de toekenning van een jaargeld van 1200 gulden voor een stage in het
buitenland, door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, na een vergelijkende
prijskamp georganiseerd door de Akademie. De winnaar kreeg ook een
gouden erepenning.
De beursaal moest onder leiding van een buitenlandse topkunstenaar
werken, musea bezoeken, een of twee afgesproken werkstukken produceren,
en maandelijks verslag uitbrengen. Bij goed gevolg kon de beurs tot
vier jaren voortgezet worden. |
Door die maandelijkse rapporten aan Mr. Sillem, secretaris van de Commissie
van Toezicht, is er van Free Jeltsema in het archief van de Rijksakademie
een schat aan gegevens bewaard gebleven, al gaan de brieven vaak over onbenulligheden,
als tijdgebrek om eerder te schrijven, het wel of juist niet vervoeren van
kleimodellen, en verzoeken om uitstel tot inleveren. Maar er is ook de nog
nauwelijks ontgonnen mijn van Free's uitspraken over haar ervaringen in
musea en dus de invloeden die dat moet hebben gehad op eigen werk. Zo kan
ze weinig waardering opbrengen voor Rodin. Veel belangstelling heeft ze
voor geplooide gewaden, waar ze ook schetsen van maakt als studie voor later.
Gotische kathedralen, werken van Mantegna, en Tanagrabeeldjes uit de Griekse
oudheid. Kunst moet tijdloos zijn. Prachtige Griekse en Egyptische werken
gezien. Hier ontstaat ook haar enthousiasme voor de penningkunst, die leidt
tot een stage van negen maanden bij de Franse penningmaker Chaplain, in
het tweede jaar.
Voor het eerste stipendiumjaar (1903) was afgesproken dat het in Parijs
zou beginnen, onder leiding van Leenhoff, met een voortzetting in Rome bij
Pander. Dat laatste is uitgesteld tot later. In Parijs heeft Free haar werkstuk
Moeder en Kind gemaakt, dat haar de goedkeuring voor een tweede stipendiumjaar
heeft opgeleverd. In de zomervakantie gaat ze naar Uithuizen en daar ontwerpt
ze een penning met de beeltenis van haar vader Rembertus, die in 1905 in
Parijs ook echt geslagen is. |
|

|
|
|
Chaplain
Het hele jaar 1903 klaagt Free over moeheid, maar in december is ze echt
overspannen naar Uithuizen teruggekeerd. In de eerst maanden van 1904
wil ze het tweede stipendiumjaar steeds maar uitstellen. De klacht is
nu bloedarmoede. Maar in april 1904 begint ze toch bij Chaplain. Ze heeft
voorgesteld om een ontwerp te maken voor de prijspenning voor toekomstige
Prix de Rome-winnaars. De Rijksakademie stemt daarmee in. Als tweede werkstuk
moet Free een reliëf boetseren, in gips afgegoten. Dat is onder de
titel De Dans goedgekeurd als examenwerk voor het derde jaar.
Free wil Minerva afbeelden op de prijspenning. De Akademie ziet daar liever
een Apollo. Maar Free drukt haar voornemen door: ze zou in ernstige problemen
komen met de kamerverhuurder als daar een naakte man als model zou poseren.
In augustus wordt de voorzijde afgegoten, maar de keerzijde valt en zijn
grondplaat breekt. De hoeveelheid werk aan een penning viel Free tegen.
Het kost zeker 2/3 van de tijd voor een statue.
Een theatervoorstelling van de beroemde Isadora Duncan wekt bij Free plannen
op voor een danseres met een wervelend gewaad. Ook ontvouwt ze ideeën
over een meisje dat zich kapt, met in haar handen een spiegel.
Het derde stipendiumjaar (1905) is Free weer in Parijs. Haar vaste toeverlaat
Leenhoff is veel ziek , zodat Free zijn atelier mag gebruiken. Maar zelf
heeft ze fijt aan haar rechterduim opgelopen. Dat belet het werken. Toch
kan ze in het najaar een kist naar de Rijksakademie sturen met gipsafgietsels
van een buste-portretstudie, bas-reliëfs van De Dans, van Venus en
Amor,en van de penningen van Leenhoff en van Rembertus, en van de prijspenning.
|
|

|
|
huldigingspenning
In november 1905 vertrekt Free met toestemming naar München waarvandaan
ze na een maand alweer teruggeroepen wordt: er is een opdracht gekomen voor
een huldigingspenning in verband met de overdracht van het Museum Mesdag
door de schenkers H.W. en Sientje Mesdag. Hiermee is Free Jeltsema nu echt
beroepsbeeldhouwer geworden. Overigens is het niet de eerste keer dat ze
een honorarium voor beeldhouwwerk zal ontvangen, want de Rijksakademie heeft
ieder jaar ook wel een examenstuk aangekocht voor rond de 500 gulden. De
huldigingspenning heeft nog een andere heel belangrijke consequentie gehad:
het is het begin van een levenslange vriendschap met de schilderes mevrouw
Geesje Mesdag-van Calcar, de schoonzuster van H.W. Mesdag, en sinds 1902
de weduwe van Taco Mesdag. Bij deze gelegenheid biedt Geesje aan Free atelierruimte
en onderdak aan tijdens het snijden van de penning. Maar vanaf 1910, wanneer
Jeltsema terugkeert van een verblijf in Parijs, verandert dat tijdelijke
aanbod in een permanente situatie op het adres Scheveningseweg 92a.
De gipsen originelen van de huldigingspenning (die nog steeds in het bezit
zijn van de Akademie) worden in januari 1906 naar Begeer in Utrecht gestuurd.
Daar worden de stempels gefreesd, en in februari heeft Free de gelegenheid
om ze bij te werken met graveren en ciseleren. Waarna de stempels weer naar
Utrecht gaan voor afslagen in goud, zilver en brons. Net op tijd klaar voor
het grote feest op 23 april. De kunstenares is niet aanwezig bij de plechtige
uitreiking. Ze heeft dan trouwens wel wat anders aan haar hoofd. |
|

Gipsmodellen huldigingspenning
doorsnee 16 cm

|
|
vrouw wordt
man
Het kan zijn dat deze eerste officiële opdracht
Free zoveel zelfvertrouwen heeft gegeven dat zij eindelijk bij Leenhoff
in Parijs en later bij Dr. Schreve in Amsterdam heeft opgebiecht dat ze
geen vrouw is maar een man. En Schreve licht onverwijld de Rijksakademie
in (13 april). Sillem vermeldt in zijn notulen van de Commissie van Toezicht
dat huisgenoten in Parijs dat feit al ontdekt hadden in het tweede stipendiumjaar,
dus 1904. Zij hadden deze kennis misbruikt om Free geld af te persen. Het
zou niet verbazen als hier had moeten staan "het eerste stipendiumjaar",
want dan werd ineens heel duidelijk waarom Free de terugkeer naar Parijs
herhaaldelijk heeft willen uitstellen. Sillem schrijft verder dat vader
Jeltsema al wantrouwig werd toen Free 3 was, en dat hij met haar consult
had gevraagd aan de Groninger medicus prof. Ranke. Die heeft toen al vastgesteld
dat Free van het manlijk geslacht was, maar het blijft onduidelijk waarom
vader Jeltsema is doorgegaan Free als meisje op te voeden.
Voor leken bestaat er
geen twijfel: iemands is òf een jongen òf een meisje.
Op de middelbare school heet het: met chromosoompaar XY ben je een
man, met XX een vrouw. Bij nader inzien ontwikkelen zich niet alle
organen op de verwachte manier zelfs als iemand bijvoorbeeld manlijke
cellen heeft. Dat gebeurt namelijk pas onder invloed van de aanmaak
van het juiste hormoon. De productie daarvan kan verstoord zijn. En
zelfs als de productie in orde is, kan de gevoeligheid voor het hormoon
ontbreken.
Volgens deskundigen is er bij een op de 250 geboorten iets wat niet
helemaal binnen de normen valt (P. Klene).
Er lopen in Nederland naar schatting meer dan 600 mensen rond die
er uitzien als - soms heel aantrekkelijke - vrouwen, maar zonder baarmoeder
of eierstokken. |
|
|

Free Jeltsema nog vrouw

Fré Jeltsema als fiere man (Firenze 1906)
|
|
gerechtelijke
stappen
Het is niet bekend wat voor een advies prof. Ranke aan Rembertus heeft gegeven.
Mogelijk heeft hij gezegd, de puberteit af te wachten, misschien dat die
meer duidelijkheid zou brengen in het geval van Free. Maar een gesprek tussen
ouders en kind wordt dan nog veel moeilijker, evenals de schande die al
rond een driejarige dreigt in een dorpsomgeving. Zeker is dat het voor Free
niet als een verrassing kwam dat er iets mis was. Bij academisch tekenonderwijs
was ze ongetwijfeld in aanraking gekomen met manlijk en vrouwelijk naakt.
Dat ze in verwarring verkeerde over haar identiteit blijkt uit een foto
van haar van rond haar twintigste. Ze draagt het haar in een vlecht die
van boven op het hoofd naar achteren samengebonden is, en oorknopjes, terwijl
ze gekleed gaat in een mannencolbert met stropdas.
Via een gerechtelijke procedure op 11 mei 1906 heeft Free laten verklaren
dat ze ten onrechte als meisje in het geboorteregister is opgenomen. Uit
een aantekening in dat register blijkt dat ze in het vervolg Frederik Engel
heet. De kranten, alert geworden door de recente rol van Jeltsema bij de
huldiging van het echtpaar Mesdag-Van Houten op 23 april 1906, maken opgewonden
melding van de geslachtsverandering. De chantage wordt niet vermeld, maar
het heet hier dat een Parijse politieman haar wilde arresteren op verdenking
van travestie.
Vanaf nu is het "de heer Jeltsema", zoals de advocaat laat weten
die hem per poste restante in Florence vraagt naar welk adres hij zijn nota
moet sturen.
Het lijkt onbescheiden om zo openlijk over iemands seksuele geaardheid te
schrijven. Maar dat is in dit geval toelaatbaar omdat de betrokkene al zo
lang dood is, en er geen kinderen zijn noch andere nauwe verwanten. De verandering
van vrouw naar man was zuiver administratief zonder medische ingrepen. Het
heeft ook niets uitstaande met homoseksualiteit, waar sommigen op geloofsgronden
aanstoot aan zouden kunnen nemen. Overigens heeft zijn geslachts-verandering
Fré niet geschaad in zijn carrière. |
|

|
|
|
Florence
Door alle tussenkomende beslommeringen had Fré nog niet kunnen
voldoen aan de contractuele verplichting, een studiereis naar Italië
te maken in zijn vierde stipendiumjaar. De Minister van Binnenlandse Zaken
begint ongeduldig te raken. Daarom gaat Fré op 1 juli 1906 spoorslags
op weg naar de Nederlandse consul in Italië, gevestigd te Florence.
Haar vlecht afgeknipt, in lange broek, en met steun van een zorgzame Leenhoff.
De voorgenomen werkstukken zijn een beeld van Victoria en van Justitia.
Die twee beelden komen inderdaad tot stand, maar het is inmiddels wel
november 1907 als de gipsafgietsels eindelijk naar Nederland verscheept
worden.
Halverwege het werk aan Victoria is het naaktmodel zo dik geworden dat
Fré zijn oorspronkelijke opzet moet wijzigen. Het wordt nu maar
een Bacchante. Voor Justitia, gedrapeerd in klassieke plooien, zal hij
later bij aankoop door de Akademie 400 gulden ontvangen.
In deze periode bezoekt Fré gedurende enkele dagen Pier Pander
in Rome, waar hij veel nieuwe stukken aantreft sinds de vorige keer.
In december 1907 is hij weer thuis bij zijn ouders. En, o ja, dan ontvangt
hij nog de gouden erepenning voor de Prix de Rome van 1902.
De voorzijde van de penning is ontworpen door J.C. Wienecke. De tekst
op de keerzijde luidt
WEDSTRIJD IN DE BEELDHOUWKUNST AAN DE RIJKS
AKADEMIE VAN BEELDENDE KUNSTEN.
De diameter bedraagt 5 cm, in de rand is het monogram JCW van de
ontwerper afgedrukt.
|
|

|
|
eigen atelier
Geesje Mesdag was begaan met haar beschermeling, die nu een echte man
geworden was. In 1908 schreef Fré weer vanuit Villa Geesina een
brief aan Sillem. Bij het bevolkingsregister is het wat minder duidelijk.
Een definitieve inschrijving staat genoteerd op 1 september 1910, met
als vorig adres "ambtshalve" uit Parijs, eerst op huisnummer
92 "bij Mesdag", later nummer 92a. Geesje had namelijk in de
tuin een beeldhouwers-atelier met huisvesting voor hem laten bouwen. En
in het testament van 1910 sprak ze over haar "pleegzoon" Fré
Jeltsema. Hij moest na haar dood een museum in Villa Geesina vestigen,
zoals in de inleiding van deze website vermeld staat. Samen maakten zij
veel kunstreizen door Europa, waar Fré langzamerhand aardig de
weg wist. Maar specifieke informatie over plaatsen en tijdstippen ontbreekt.
In dit atelier zijn een aantal van zijn grote beeldhouwwerken tot stand
gekomen: een beeld aan de gevel van het Vredespaleis, twee in Rotterdam
aan het stadhuis, en het standbeeld van Johan de Witt op het pleintje
De Plaats naast de Gevangenpoort in Den Haag.
In de periode 1910 tot 1920 exposeerde hij ook regelmatig in Pulchri Studio
in Den Haag.
|
|

Jeltsema aan de slag met buste van Stead
|
|
|
Vredespaleis
De gevels van het Vredespaleis zijn rijk voorzien van beeldhouwwerk. De
opdracht was expliciet om allegorische voorstellingen te maken, en niet
het uitbeelden van historische gebeurtenissen. Jeltsema moest Het Geweten
uitbeelden. Hij pakte hiervoor zijn oude plannetje op van het meisje met
een spiegel. Deze vrouwenfiguur met handspiegel vraagt zich kennelijk
af, of ze "zich nog wel recht in de ogen durft te kijken". Jeltsema
kreeg er 1500 gulden voor. Het is het zevende beeld van rechts in de beeldengalerij
ter hoogte van de eerste verdieping van het Vredespaleis. Jammer dat de
beelden, die een afmeting hebben van 2,10 m, zo hoog staan. Je hebt een
verrekijker nodig om te kunnen zien wat een lief gezichtje Het Geweten
heeft.
De andere beelden op de galerij waren van Bram Hesselink, Toon Dupuis,
Willem Retera, Bart van Hove, en Arend Odé.
Het Vredespaleis en de tuin zijn alleen tijdens een groepsexcursie te
bezichtigen.
|
|

|
|
|

William Stead
|
|

Fré Jeltsema, ongeveer 35 jaar oud |
|
De Engelse journalist
William Stead was een zeer gerespecteerde vredesactivist. Hij was
een van degenen die de Amerikaanse staalmiljonair Carnegie overtuigden
van het belang van de oprichting van een paleis voor de vrede.
In Den Haag waren al twee internationale vredesconferenties gehouden.
De doelstelling was toen niet het beslechten van concrete conflicten
tussen staten, maar het beteugelen van de steeds verwoestender werking
van het moderne wapentuig.
Carnegie schonk 1,5 miljoen dollar voor de bouw van een vredespaleis
in Den Haag, en hij liet een zeer omvangrijke bibliotheek op het gebied
van het volkenrecht aanleggen. William Stead was bij dit alles zeer
betrokken. Maar hij was tenslotte journalist en wilde de eerste reis
met het "onkwetsbare" passagiersschip de Titanic meemaken.
Hij behoorde bij de ondergang van dit schip in 1912 niet tot de overlevenden.
|
|
|
|
|
|
|
Een
comité van bewonderaars gaf Fré Jeltsema de opdracht, een
marmeren borstbeeld van Stead te maken. Het is in 1914 onthuld en het staat
in het Vredespaleis op de begane grond in de gang naar de Grote Rechtzaal.
Daar staan meer borstbeelden: onder andere Carnegie, Albert Schweitzer,
Mahatma Gandhi en Nelson Mandela. Het tegelmozaiek op de achtergrond is
van plateelbakkerij Rozenburg in Den Haag. |
|
Johan
de Witt
Zowel in Den Haag als in Dordrecht, de geboorteplaats van de gebroeders
Cornelis en Johannes de Witt, was destijds een comité actief tot
oprichting van een standbeeld voor Johan de Witt. De opdracht voor het maken
van het bronzen beeld werd verstrekt aan Fré Jeltsema, die het in
1916 klaar had.
Johan de Witt door Fré Jeltsema
Het werd op 12 juni 1918 onthuld in aanwezigheid van koningin Wilhelmina
en prins Hendrik. Het jaartal zou kunnen wijzen op een 250-jarige herdenking
van de Vrede van Breda en de Vrede van Aken, beide belangrijke verdiensten
van de Witt. In de toespraak na de opening, gehouden in Pulchri Studio
door de historicus dr. N. Japikse, wordt echter niet op die 250 jaar gezinspeeld.
De tijd was kennelijk rijp voor dit eerbetoon aan de in 1672 zo gruwelijk
aan hun eind gekomen broers. Ze waren door de schutterij gedood en door
de opgehitste omstanders als varkens opengesneden en op Het Groene Zoodje
bij de Gevangenpoort aan een paal gehangen.
Er had een controverse bestaan tussen de stadhouder en de raadpensionaris,
die inmiddels al ontslag had genomen. De rol van Willem III, verre verwant
van koningin Wilhelmina, is echter nooit opgehelderd. Zeker is dat hij
vervolging van de daders heeft tegengehouden en hun zelfs gunsten heeft
verleend.
|
|

Jeltsema en koningin Wilhelmina bij de
onthulling van het standbeeld

Onthulling standbeeld Johan de Witt 12 juni 1918. Foto Couvée
|
|
stadhuis
Rotterdam
In de jaren 1913 tot
1920 werd in Rotterdam een kolossaal gebouw neergezet: het nieuwe
stadhuis. Een verpauperde wijk was daarvoor afgebroken en het gebouw
moest een uitstraling krijgen, passend bij de grote industrie- en
havenstad die Rotterdam toen al was.
Het Raadhuis, zoals men het aanvankelijk noemde, werd opgetrokken
in beton en bekleed met zandsteen. De voorgevel werd verfraaid met
beeldhouwwerk dat de verschillende activiteiten in de stad moest uitbeelden.
De zijgevels werden soberder van aanzien. |
In beide zijgevels was een beeld gepland op de stijl tussen de deuren
naar de secretarie. Aan de noordkant moest bij de afdeling Onderwijs en
Leerplicht een beeld komen van "een jong scholier", aan de zuidzijde
moest "het Leven symbolisch herdacht door een jeugdigen figuur".
Jeltsema heeft ze gemaakt voor een bedrag van 2523,20 gulden: voor "2 figuren
ingangen zijgevels" volgens het kasboek van 1919.
In afwijking van het oorspronkelijke plan werd in de zijgevels ook boven
de twee poorten, met doorgang langs de binnenplaats, een beeld aangebracht.
De beeldhouwer J. Keller, die in Engeland hoogleraar was, maakte hiervoor
personificaties van De Plicht en de Tijd.
Hoewel Jeltsema in zijn Parijse brieven zijn voorkeur betuigt voor tijdloze
kunst, houdt hij zich niet erg aan de opdracht om personificaties te maken.
De scholieren aan het stadhuis zijn helemaal niet zulke figuren die eeuwigheid
uitdrukken. Je ziet daar een paar zeer concrete knapen. De jongen met
het boek is een heel zelfverzekerd studentje. Die met het potloodetui
is daarentegen een onzekere, bedachtzame leerling die zijn capuchon maar
vast omhoog heeft gedaan voor een bui van kritiek. Beide zeer eigentijdse
leerlingen met korte broek en kniekousen. Alleen de gestileerde plooimantels
herinneren ons aan Jeltsema's voorkeur voor de klassieken. Niks geen rij
hier van deftige dames en heren in nissen met een boek, palet of harp,
en nog minder het artistieke niveau van een stel bontgekeurde draaiorgelpoppen,
zoals de venijnige kritiek van sommige toenmalige en ook hedendaagse commentatoren
ons wil aanpraten.
Tijdens het bombardement
in 1940 is het stadhuis wonderbaarlijk genoeg gespaard gebleven. Alleen
heeft het beton door de grote hitte van de branden in de omgeving
barstjes opgelopen.
Het gebouw heeft nog steeds een publieksfunctie. De toegang tot de
secretarie is geconcentreerd aan de noordzijde. Het is daar een voortdurend
komen en gaan. |
|
|

Noordzijde doorgang Stadhuis
Foto Fred Jan Kraan

foto T.Houdijk, Wikipedia,GNU licentie

|
|
|
Rembertus overleden
De vader van Fré is in 1919 in zijn 66ste jaar overleden. Fré
moet erg op hem gesteld zijn geweest, want hij heeft opnieuw een plaquette
van Rembertus gemaakt. Daarop kijk hij een andere kant uit dan op de penning
die hij in de zomervakantie van 1903 had geboetseerd. De nieuwe plaquette
is gemonteerd op de staande plaat van het ouderlijk graf in Uithuizen,
dat volgens mondelinge overlevering, onbewijsbaar, door Fré ontworpen
is. Er zat aanvankelijk ook een plaquette van zijn moeder Anje Westerhuis
op, maar die was er voor 2007 afgevallen. Het Webmuseum heeft dat virtueel
gerepareerd.
Vergeleken met de andere graven springt dat van de ouders echt in het
oog door de plaquettes en de diervormige reliëfs, Egyptisch geïnspireerd.
Links een hond, rechts een leeuw. Heel merkwaardig, deze asymmetrie. Ongetwijfeld
een allegorische voorstelling, maar wat stelt het voor? De hond symboliseert
trouw, de leeuw moed?
Door erfenis kwam Fré nu in het bezit van de Polderboerderij, waar
hij ook geboren was. Misschien was dat al een beetje afgesproken, want
in 1918 was hij een maandje in Uithuizen gaan wonen. Maar een boer zat
er nog steeds niet in. In 1934 verkocht hij de hofstede aan zijn broer
Simon, die de Folckumaheerd al had geërfd, zodat nu alles weer in
één hand was. Waarschijnlijk heeft Fré het beeldje
van een paard bij Simon gemaakt. Die had namelijk ook een paardenfokkerij.
|
|


Foto's Fred Jan Kraan
|
|
|
getrouwd
In 1923, toen hij al 44 was, trouwde Fré met de tien jaar oudere
Jeannette Blom, weduwe van Matthijs van Roggen. Op de foto zien ze er
heel blij uit. Er is geen reden om te denken dat ze niet gelukkig zouden
zijn. Het enige wat Fré haar misschien niet kon geven kinderen
zou Jeannette niet van hem verlangen. Ze had al vier kinderen uit
haar vroegere huwelijk. En zelfs een lief kleindochtertje, Tootje, waar
Fré kennelijk veel van hield. Hij heeft in 1926 een borstbeeld
van de zesjarige Tootje gemaakt, en hij heeft haar wel eens tekenles gegeven.
Maar dat is nooit wat geworden . . .
Het jonge paar ging in Sprimont bij Luik wonen, waar de familie een buitenhuis
bezat, en de fabriek van de prestigieuze Minerva-auto. Maar in 1926 woonden
ze weer in de tuin van Villa Geesina. Ze waren daar dus ook als echtpaar
welkom, en zijn er heel lang blijven wonen. Wel af en toe weer een paar
jaar Sprimont. Van beeldhouwen kwam nu niet veel meer. Er is alleen de
vermelding van een penning voor prof. Kraus en voor het 50-jarig bestaan
van het Rijksmuseum, beide in 1935.
Het schijnt dat Jeltsema ontmoedigd was geraakt doordat de smaak langzamerhand
was veranderd en zijn werk naast veel lof ook enige kritiek oogstte.
Wel bleef hij voor eigen genoegen kleine schilderijtjes maken.
|
|


|
|
|
de kunstenaar
Wat onmiddellijk opvalt is de veelzijdigheid van Fré Jeltsema.
Beeldhouwer, penningmaker, tekenaar, schilder. En de verscheidenheid van
materialen. En van onderwerpen.
Een penning bevat als regel een portret, ook bij Jeltsema. Maar hij maakt
ook echt driedimensionale portretten: borstbeelden. Daarbij gebruikt hij
schilderijen als het gaat om een historische persoon zoals Johan de Witt,
of foto's bij personen die met een penning verrast moeten worden, zoals
H.W. en Sientje Mesdag bij hun huldiging in 1906.
Jeltsema heeft heel duidelijk voorkeur voor de klassieke oudheid en de
renaissance. Dat is het duidelijkste in zijn bronzen beeldjes, die bijna
steeds de schoonheid van het menselijk naakt laten zien. Maar zonder nadruk
op spierbundels, daarentegen wel actieve beweging. Jeltsema vermeldt ook
belangstelling voor de Egyptische kunst. Een uiting daarvan is te zien
op het grafmonument voor zijn ouders.
Als materialen komen we tegen, behalve brons: zandsteen, marmer, ivoor,
terracotta, en uiteraard klei en gips.
Hij signeert meestal met zijn voorletters plus achternaam, FE Jeltsema.
Daarbij zijn de F en de J op een kunstige manier in elkaar geweven. Mooi
te zien in de ondertekening van zijn Parijse brief. Soms is er een monogram,
samengesteld uit de letter FEJ, met dezelfde vervlechting.
Hij heeft een voorkeur voor glad en rond, en betuigt zijn afkeer van klodderig
oppervlak en onnatuurlijke vervormingen die al in experimenten van zijn
tijdgenoten aanwezig waren. Niettemin is er een groot verschil tussen
de geposeerdheid van het op de Grieken geïnspireerde
Geweten aan het Vredespaleis, en het eigentijds realisme van de Scholieren
aan het Stadhuis in Rotterdam uit bijna dezelfde jaren.
Tijdens zijn Prix de Rome-stage kocht de Akademie, zoals gezegd, ieder
jaar wel een examenwerk van Jeltsema. Die zouden reglementair anders in
eigendom van de beursaal blijven.
Zulke gipsbeelden speelden een rol in het onderwijs: ze moesten nagetekend
worden. De filosofie hierachter was dat je moest leren van anderen door
imitatie. Pas na de imitatie kwam de inspiratie.
Hiermee samenhangend was ook de opvatting dat de eigen uitwerking van
een thema dat al eens door een ander was afgebeeld, niet als plagiaat
werd gezien. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat schilders die Ophelia hebben
geportretteerd, op haar rug drijvend in een slootje, bestrooid met kleurige
bloemetjes. Zo sterk onderling gelijkend dat het flinke verbazing wekt
in de huidige tijd met zijn nadruk op originaliteit meer dan op technische
vaardigheid. Jeltsema was hierin een kind van zijn tijd. Een aantal van
zijn werken vertonen thematische overeenkomst met die van andere kunstenaars,
maar onderscheiden zich daarvan door levendigheid van houding of levensechtheid
van gelaat en lichaamsbouw.
|
|
Schets van Tanagrabeeldje 


|
|
|
de persoon
Fré had een vol gezicht, brede heupen, een hoge stem, en een dikke
bos haar. Volgens mensen die hem gekend hebben, had hij een vriendelijk
karakter. Hij heeft Geesje Mesdags verlies van Taco helpen verzachten.
Een artistiek begaafd nichtje van Geesje Mesdag had haar om advies gevraagd.
Geesje had afwijzend gereageerd, en haar afgeraden om in de beeldende
kunst haar beroep te zoeken. Daarentegen heeft Fré dat nichtje
aangemoedigd. Inderdaad heeft ze de kunstacademie met succes doorlopen.
Maar terugkijkend moest ze vaststellen dat van haar jaargenoten op de
academie maar één medestudent enige bekendheid heeft verworven:
Aad de Haas. En dan nog vooral door zijn omstreden kruisgang in het kerkje
van het Zuid-Limburgse Wahlwiller. Die kruisgang is enige tijd verboden
geweest door het Vaticaan.
Dus uiteindelijk kregen zowel Fré als Geesje gelijk met hun advies.
In Nederlands is er maar plaats voor drie beroemde schilders: Rembrandt,
Van Gogh en Mondriaan.
Jeltsema geeft ook blijk van sociaal gevoel. In 1920, als hij zijn Prix
de Rome-periode al ver achter zich heeft, typt hij een lange brief met
suggesties voor verbetering. Onder meer: de geproduceerde kunstwerken
moeten nog enige tijd bij de maker kunnen blijven. Zo kan hij als zelfstandig
beginnend kunstenaar tonen wat hij vermag. En er moet dan een extra slottoelage
komen, waarmee hij het eerste half jaar een atelier kan bekostigen en
een blok marmer aanschaffen.
Ondanks zijn zachtaardigheid was Fré ondernemend. Dat blijkt uit
zijn vasthoudendheid in zijn opleiding, en uit zijn veelvuldige reizen.
In zijn handschrift leest men kordaatheid en daadkracht. Dat staat enigszins
in tegenstelling tot de ontmoediging in zijn tweede levenshelft. Volgens
zijn omgeving kon hij niet goed tegen kritiek. Toen er wat aanmerking
was op zijn dikke Bacchante ging hij die balorig in de tuin begraven (denkelijk
niet het marmeren exemplaar van 2 meter!).
De omslag van het leven als vrouw naar man heeft hij goed verwerkt. Zijn
meest productieve jaren volgen net op die omslag: 1906 tot 1920.
Op een keer zat hij in een gezelschap zelfs te zwetsen: "Als jongens
gingen we in het speelkwartier vaak stiekem een sigaretje roken",
en moest hij tot de orde geroepen worden: "Nou, nou, Fré".
Maar diep in zijn hart was er toch een onverwerkt verleden. Na zijn dood
werd het briefje van de advocaat ontdekt onder de papiervoering van zijn
bureaula.
|
|





|
|
|
geld speelt geen rol
Vanaf 1934 is Fré geen grootgrondbezitter meer.
In dat jaar sterft ook zijn moeder Anje, inmiddels 82 jaar oud. Fré
zelf is dan 55, met een volle bos grijs haar.
In 1936 overleed zijn mecenas Geesje Mesdag-van Calcar en erfde Fré
Jeltsema het huis, haar kunstschatten, en het grootste deel van haar geld,
met de bepaling dat alles wat bij zijn dood zou resteren alsnog naar de
bloedverwanten zou gaan. Een succesformule voor onenigheid. Tijdens de
Duitse bezetting werd de villa gevorderd voor inkwartiering van het leger.
Jeannette ging naar België en Fré naar Haren in Groningen.
Dus niet naar zijn broer Simon. Volgens de familie konden zij elkaar niet
meer luchten. De beeldenvoorraad heeft Fré in een loods bij zijn
zuster Engeltje ondergebracht. Wat er met de kunstverzameling, het eigen
werk en de privé-documenten van Geesje is gebeurd, vertelt het
verhaal niet.

Fré met moeder Anje, zuster Jansje en
neefje Willem Jan
Na de oorlog is Fré teruggekeerd. Of dat ook voor Jeannette geldt
is niet duidelijk. Hij staat wel op een foto uit 1948 bij de viering van
haar 80ste verjaardag.
Fré is dan 70, nauwelijks ouder geworden lijkt het.

|
|


F.E. Jeltsema, Kasteel de Cannenburgh

Anje Jeltsema-Westerhuis met Rembertus Jeltsema
|
|
|
laatste eer
In 1946 kwam Mien Oorbeek bij Fré wonen op de Scheveningseweg 92a,
maar wanneer ze getrouwd zijn, in een voor Fré tweede huwelijk,
is voor een buitenstaander niet zo makkelijk te achterhalen.
Op zeker moment heeft Fré Villa Geesina verkocht en is hij samen
met Mien in de Groen van Prinstererlaan gaan wonen. Het huis en de garage
stonden vol beelden, vertelt een neef van Mien, die als beloning voor
een bewezen dienst een beeldje mocht uitzoeken. In 1928 had Fré
op verzoek van de directeur van de Rijksakademie enkele gipsmodellen terug
moeten halen (Moeder en Kind, Justitia en De Dans). In 1960 heeft hij
een marmeren uitvoering van de Bacchante en een groten bronzen versie
van de Zittende Jongeling aan de gemeente Groningen geschonken. De laatste
staat op het Emmaplein, de eerste in het stadhuis.
Fré was inmiddels 80 en hij was nu ziekelijk geworden. Meestal
lag hij in bed achter een glazen wand. Ondanks dat is hij 91 jaar geworden
voordat hij in 1971 op 10 februari overleed.
Door zijn lange leven had hij twee vermogens voor een aanzienlijk deel
opgesoupeerd, dat van Rembertus en dat van Taco Mesdag.
Bij zijn dood moet Fré een huis vol beeldjes hebben achtergelaten.
Waar zijn zij gebleven?
Gelukkig is er genoeg gevonden om er de Beeldenzaal mee te vullen. Daardoor
hebben we een oud plan van mevrouw Mesdag-van Calcar toch nog kunnen verwezenlijken:
de inrichting van een museum ter ere van Taco Mesdag, Geesje van Calcar
en
Fré Jeltsema.
|
|
 |
|
|
Rob en Winky Vetter
|
|
|
|
Voor deze monografie zijn
vrijwel uitsluitend primaire bronnen geraadpleegd: de archieven van de gemeenten
Uithuizen, Groningen, Den Haag en Rotterdam, en van de Rijksakademie van
Beeldende Kunsten, het Vredespaleis, het Notarieel Register, het Geldmuseum,
het Groninger Museum en het RKD. En verder is er veelvuldig gebruik gemaakt
van mondelinge en schriftelijke gegevens, en foto's, van een aantal families
van verwanten, en van verschillende (vaak particuliere) onderzoekers. De
kunsthistoricus dr.Marguerite Tuijn, en vanuit de familie Cees Faeseler,
hebben zeer veel waardevolle informatie bijgedragen.
Aan allen die medewerking verleend hebben: hartelijk dank. |
|
De Jeltsemavleugel omvat
ook:
- de Beeldenzaal
- het Penningkabinet,
en verder op de Leestafel de leesstukken:
- Fré Jeltsema, beeldhouwer m/v (korte biografie)
- Een goed gebaar van Johan de Witt (interpretatie van het standbeeld)
- Het geheim van de beeldhouwer (artikel over beeldhouwtechnieken)
|
|